Posts tonen met het label internationale samenwerking. Alle posts tonen
Posts tonen met het label internationale samenwerking. Alle posts tonen

De armoedeval (Collier, 2007)

Paul Collier, professor economie aan Oxford en jarenlang directeur van de Wereldbank, stelt dat er rond een miljard mensen zijn die gevangen zitten in de zogenaamde armoedeval ("bottom billion").

De armoedval wordt veroorzaakt door vier onderliggende vallen die steeds weer voorkomen.

De conflictenval wordt veroorzaakt door de voortdurende burgeroorlogen en coups die in de 'bottom billion' landen voorkomen en die veel kapotmaken van wat de vorige machthebbers hebben opgebouwd.

De grondstoffenval ontstaat wanneer een land veel natuurlijke hulpbronnen heeft in de vorm van kostbare mineralen of olie. Een steeds terugkerend fenomeen in die landen is de Dutch Disease, genoemd naar het verschijnsel in Nederland in de jaren zeventig waar de gulden door onze gasverkopen zoveel in waarde steeg dat alle andere exporten te duur werden voor het buitenland. Het gevolg was dat er weinig ontwikkeling in de niet-competitieve industrieën plaatsvond waardoor productiviteit en innovativiteit rap achteruit liepen, met alle economische schade op lange termijn van dien.

In de geografische val is een land helemaal omgeven door andere landen, zonder toegang tot de zee. Daarbij zijn de aangrenzende landen slechte buren in de zin dat deze om allerlei redenen geen goede afzetmarkt vormen. Hierdoor blijft de economische afzetmarkt voor de 'bottom billion'-landen beperkt tot het eigen land, temeer omdat exporteren naar nog verder gelegen landen vaak economisch onrendabel is door de slechte infrastructuur in de omliggende gebieden.

De bestuursval wordt veroorzaakt door de slechte kwaliteit van het politieke en overheidsbestuur en het management van het bedrijfsleven in de 'bottom billion'-landen. Dit wordt mede veroorzaakt doordat goed opgeleide mensen vaak de uitzichtloze lokale situatie ontvluchten en naar het buitenland gaan om daar een bestaan op te bouwen, de zogenaamde braindrain.

Tevens stelt hij dat er in de samenlevingen die zich in de 'bottom billion' bevinden, mensen zijn die ondanks alles proberen te ontsnappen terwijl tegelijkertijd machtige groeperingen (corrupte politici, overheidsambtenaren, leger) er alles aan doen om die mensen te blijven onderdrukken. Ook liefdadigheidsorganisatie (bestaansrecht behouden) en Westerse politici (publiciteit genereren, maar vervolgens toezeggingen niet waarmaken) hebben belang bij een status quo.

Tenslotte stelt Collier dat het rijke Westen kan en moet ingrijpen, maar wel op een andere manier dan tot nu toe gebruikelijk. Namelijk door toepassing van een combinatie van niet-financiële ontwikkelingshulp, gericht op het ontwikkelen van de capaciteiten van lokale bestuurders en managers, aangepaste handelspolitieken waarbij handelsbarrières in Westerse landen én op lokaal niveau worden geslecht en nieuwe veiligheidsstrategieën waarbij militair ingrijpen niet wordt geschuwd.

De oplossing voor de bottom-billion is volgens Paul Collier: 1. niet-financiële ontwikkelingshulp, 2. aangepaste handelspolitieken en 3. nieuwe veiligheidsstrategieën.

bron: Collier, P. (2007). The Bottom Billion. Why the poorest countries are failing and what can be done about it. Oxford: Oxford University Press.

Het Nieuwe Ontwikkelen, een pleidooi voor onderwijs

Meten is weten, ook al weten we dat we niet altijd alles kunnen meten.
Zo laat de welvaart van ons land zich beter meten dan de geluksbeleving van onze burgers.
En gaat het debat over ontwikkelingssamenwerking veel over geld en weinig over mensen.
Ik zal vandaag een pleidooi houden over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking.
Een pleidooi onder de noemer 'Het Nieuwe Ontwikkelen', een pleidooi voor onderwijs.

In ons debat over ontwikkelingssamenwerking gaat het helemaal niet over ontwikkelen.
Het gaat vooral over investeren en over de effectiviteit van deze investering.
Ook in ontwikkelingssamenwerking lijkt de financieel rekenaar het te winnen.
En gaat het bij de onderhandeling om het aantal procentpunten en wat de norm is.
In plaats van dat het gaat om de vraag hoe wij betere kansen kunnen creëren.

Het gaat in het debat van ontwikkelingssamenwerking evenmin over samenwerking.
Natuurlijk is samenwerken goed voor de ander, zo zijn onze nobele intenties.
Maar het ontwikkelen van de ander levert ons ook op en is verre van idealistisch.
Betere kansen voor individuen op de wereld stimuleert de vraag in onze economieën.
Het ontwikkelen van de ander dient onze Nederlandse belangen.

Energiecrisis, voedselcrisis, kredietcrisis: problemen zijn er om opgelost te worden.
De achterliggende oorzaken krijgen we echter niet altijd helder.
Onze focus op de korte termijn is nu eenmaal eenvoudiger dan een visie op de lange termijn.
En dus is iedere crisis een nieuwe reden om tot snelle interventies te komen.
Snelle interventies zonder samenwerking zijn echter het tegenovergestelde van onderwijs.

Als sociaal-liberaal vind ik dat ieder individu kansen verdient.
En dat we samen moeten streven naar een toegankelijk speelveld.
Veel mensen verdienen betere kansen, waar ze zich ook ter wereld bevinden.
Ik ben in de overtuiging dat we met onderwijs deze kansen kunnen creëren.
Wij willen daarom alle vormen van ontwikkelingssamenwerking aan onderwijs koppelen.

Als we honger willen uitbannen moeten we onderwijs toegankelijk maken.
En niet langer reflexmatig reageren op ieder internationaal conflict.
De enige structurele uitweg uit armoede in een land is het creëren van meer inkomsten.
En de beste langetermijninvestering voor meer inkomsten is een investering in onderwijs.
Wij moeten daarom alle vormen van ontwikkelingssamenwerking aan onderwijs koppelen.

Kiezen voor de eigen kracht van mensen vereist lef, durf en doortastendheid.
Lef om onrechtvaardigheid niet te gebruiken als argument voor kortetermijnoplossingen.
Durf om alle voedselhulp, energielevering en kredietverschaffing te koppelen aan onderwijs.
En doortastendheid door het initiatief voor de toekomst niet over te nemen van de ander.
Met lef, durf en doortastendheid kunnen wij 'Het Nieuwe Ontwikkelen' realiseren.

Maar zonder voedsel geen onderwijs, dus voedsel eerst.
Verwacht ondanks dat van mij geen pleidooi voor een verbod op biobrandstoffen.
Noch een pleidooi voor grootschalige genmodificatie.
En zeker niet voor het incidenteel dumpen van voedseloverschotten.
Verwacht van mij wel een pleidooi voor het opheffen van onrechtvaardige handelsbarrières.

'Het Nieuwe Ontwikkelen' betekent dat wij afscheid nemen van ons superioriteitsdenken.
Met onderwijs kunnen mensen zelf oplossingen bedenken, zelf deze keuzes maken.
Dat kan alleen als landen stabiel en mensen veilig zijn, met open markten en zonder barrières.
Zonder handelsbarrières neemt de onderlinge afhankelijkheid toe.
En krijgt vertrouwen de ruimte zich te ontwikkelen tot een gedeelde rechtvaardigheid.

Onderwijs is het startpunt voor internationale democratisering en politieke stabiliteit.
Onderwijs gaat om het creëren van betere kansen.
Onderwijs is de uitweg uit gewapende conflicten.
Onze hersenen hebben daarvoor wel de nodige brandstof nodig.
'Het Nieuwe Ontwikkelen' begint daarom met een rechtvaardige voedselverdeling.

Persoonlijke visie op internationale samenwerking

In mijn ervaring en overtuiging is de grootste uitdaging van internationale samenwerking het overtuigen van individuele mensen dat het zinvol is om als collectief (land, werelddeel) internatio­naal samen te werken. Dat is voor mij op een principieel niveau uitdagend, omdat het liberalisme uitgaat van vrijheid van het individu zolang het niet ten koste gaat van het collectief. Omdat dit fundament start vanuit het individu en niet vanuit samenwerking dringt een natuurlijke weerstand tegen internationale samenwerking zich eenvoudig op. Gelukkig kan ik mij beroepen op een geloof in de complementariteit van het liberalisme en het socialisme. Deze politieke stromingen zie ik als twee delen van één waarheid. Jazeker, individuele mensen verdienen de kans zich volledig te ontwikkelen, zolang als dat niet ten koste gaat van het collectief. Tegelijkertijd vind ik dat het collectief tot actie moet komen als individuele mensen geen kansen krijgen zich te ontwikkelen, zolang deze actie de kansen voor individuele mensen om zich te ontwikkelen niet beperken. Beide stromingen beschouw ik als verzoeningen van het dilemma individu versus collectief, ieder vanuit een ander start­punt.

Individuele mensen verdienen kansen, waar ze zich ook ter wereld bevinden
Zolang ook maar ergens ter wereld sprake is van mensen die geen kansen krijgen zich te ontwikkelen in onderwijs, bestuur of onderneming vind ik het zinvol om met alle daarvoor beschikbare energie internationale samenwerking na te streven. Met zinvol bedoel ik dat ik geloof dat internationale samenwerking effectief is als we honger willen uitbannen, onderwijs toegankelijk willen maken, mannen en vrouwen gelijke rechten willen geven, sterfte door zwangerschap en kindersterfte willen voorkomen en een duurzaam leefmilieu willen nastreven. Of het middel daarvoor nu een eerlijker economisch systeem of een volledige schuldenverlichting voor arme landen is. Of we daarvoor nu eerst een gedeeld juridisch fundament nodig hebben, of een wereldwijd opererend bestuurlijke organisatie. Het begint in alle gevallen met het overtuigen van individuele mensen dat een middel alleen tot resultaat zal leiden als er internationaal wordt samengewerkt. Ik denk dat we dat niet kunnen bewijzen, en vind dat we hieraan intuïtief, vanuit hoop en positivisme en op basis van vertrouwen moeten werken.

Werken aan de overtuiging dat internationaal samenwerken werkt
Intuïtief kies ik bij het werken aan de overtuiging dat internationaal samenwerken werkt voor een focus op het bereiken van een rechtvaardige wereldwijde voedselverdeling. Ik heb de hoop, dat investeren in onderwijs hiervoor op de lange termijn het meest effectieve instrument is. Mijn ideale internationale samenwerking stapt dan ook af van crisismanagement op het gebied van voedsel, energie of krediet en kiest voor investeren in onderwijs. Dit vereist lef, durf en doortastendheid. Lef om onrechtvaardigheid niet te gebruiken als argument voor kortetermijnoplossingen als voedselhulp, energielevering of kredietverschaffing. Durf om ernaar te streven dat met het opleiden van mensen het adresseren en aanpakken van onrechtvaardigheid zal ontstaan. En doortastendheid om met de ander te bepalen wat de behoefte aan onderwijs is en hoe deze het beste kan worden vervuld.

If you could ask Paddy Ashdown three questions, what would they be?

  1. What does Europe currently mean to you, and to what degree would you say Europe is something 'to believe in'? What should the EU's future role be in peacemaking and peacekeeping (in- and outside of the borders of the EU)?
  2. When you talk about more success in peacemaking and peacekeeping, you talk about both institutional changes (UN, NATO, EU, Private Sector) as well as changing mindsets. The dilemma seems to be in the shift from conflict phases (which need 'hard power') to prevention and post-conflict reconstruction phases (which need 'soft power'). I sometimes work in international environments, where dilemma reconciliation (based on the works of Charles Hampden-Turner and Fons Trompenaars) is a useful tool for dealing with cultural differences in a working environment. Key ingredient in dilemma reconciliation are the following questions or thought experiments: 'how can we achieve more prevention and reconstruction (using 'soft power') by dealing with more conflict (using 'hard power')' an 'how can we better deal with more conflict (using 'hard power') by achieving even more prevention and reconstruction (using 'soft power')?' Would you like to spend some time trying to reconcile this dilemma?
  3. Will the credit crunch and a global economic downturn help in peacemaking and peacekeeping? Or will it have a severly negative impact on these efforts? If so, what can governments and other institutions do to prevent more international conflicts? And what can individuals do?

Vrije markttoegang en handelsbarrières volgens D66

Opdracht: bestudeer publicaties en/of uitingen van je partij (bijv. verkiezingsprogramma’s, beginselprogramma’s, publicaties van een wetenschappelijk instituut). Destilleer daaruit de opvatting van je politieke partij over vrije markttoegang en handelsbarrières. Analyseer vervolgens wat de gevolgen zouden zijn van je partijopvatting voor de (economische) situatie in Nederland en de (economische) situatie in ontwikkelingslanden. Leg het bovenstaande vast in maximaal 600 woorden.

'Samenlevingen zijn op steeds meer verschillende manieren met elkaar verbonden. Wij staan open voor de gehele wereld en sluiten niemand uit.

Bij alles wat we doen, vragen we ons steeds af welke effecten dat heeft op anderen in deze wereld. Wij onderkennen dat Europa steeds meer ons binnenland wordt.

Internationale samenwerking en economische vooruitgang zijn de sleutels naar een wereld met minder oorlog en conflicten.

Daarbij handelen wij steeds pragmatisch, nuchter en op basis van feiten.'

Uit: Richtingwijzers voor een progressieve sociaal-liberale visie, richtingwijzer 'Denk en handel internationaal'.

Vrije markttoegang en handelsbarrières volgens D66
Denk en handel internationaal. Dat is de titel en essentie van één van de vijf richtingwijzers van D66. Richtingwijzers. In een partij waarin dogmatisch denken en fundamenten in belangrijke mate onderhevig zijn aan pragmatiek is dat the best you can get als het gaat over partijpolitieke opvattingen. Overigens wel opgesteld door een zogenaamde 'Permanente Programma Commissie'. Pragmatiek versus permanent: voelt u de spanning?

Richtingwijzers gaan over ideeën en uitgangspunten die leden van D66 met elkaar delen of bediscussiëren. Delen en discussiëren in het hart van een programma, dat lijkt me een mooi uitgangspunt. De vijf richtingwijzers zijn volgens de auteur(s) onlosmakelijk met elkaar verbonden, in mijn ogen gezien het abstractieniveau een valide bewering. En in welke context ook, prefereer ik relatief onzekere richtingwijzers boven constructen van maakbaarheid en normerende dogmatiek. Was het Arrested Development die zong 'Give a man a fish, and he'll eat for a day. Teach a man how to fish, and he'll eat forever'?

Het onderwerp 'vrije markttoegang en handelsbarrières' zal ik daarom bezien vanuit de vijf richtingwijzers van D66:

  1. Vertrouw op de eigen kracht van mensen. Zet een onderwerp als dit op de agenda en er ontstaat onmiddelijk de behoefte om vraagtekens te zetten. En wel over de vermeende autonomie van het individu. In welke mate beschikken wij over een bewustzijn? Er wordt door de auteurs van deze richtingwijzer een spanningsveld tussen de eigen kracht van mensen en de invloed van hun sociale omgeving waargenomen. Zo blijkt uit neurologisch onderzoek dat omgevingsfactoren een grote invloed hebben op de ontwikkeling van menselijke hersenen. Dit schijnt een ander licht op een traditioneel Nederlandse stelling als 'op eigen kracht boven komen'. Het is daarom de vraag welke maatschappij de eigen kracht van mensen belemmert of zelfs ondermijnt. En in het licht van de opdracht: om welke mensen gaat het hier eigenlijk? Waar zijn deze mensen geboren en waar leven, wonen en werken ze? Is het de term 'vertrouwen' die de geografische grenzen van deze richtingwijzer aangeeft? Als we vertrouwen zien als resultante van overzichtelijkheid en stabiliteit (Geert Mak, 2004) dan zijn de geografische grenzen voor wat betreft overzichtelijkheid beperkt door menselijke intellectuele verwerkingscapaciteit . En betekent dit dat geografische gebieden waar sprake is van veel dynamiek sowieso niet vertrouwd kunnen worden.
  2. Beloon prestatie en deel de welvaart. Ook deze richtingwijzer gaat over een raakvlak tussen individu en maatschappij. Principes van rechtvaardigheid en gelijkheid strijden om relevantie. Onderwijs en talentontwikkeling staan binnen D66 centraal. De essentie van deze discussie gaat volgens mij om de wijze waarop je talent erkent (rechtvaardigheid) zonder dat je verschillen benadrukt (gelijkheid). Gelijkheid is in 1948 vastgelegd in de 'Universele verklaring van de rechten van de mens'. Rechtvaardig is echter altijd en overal situationeel bepaald. D66 benadrukt dat rechtvaardigheid een praktische uitkomst is van een open debat tussen redelijke mensen. Daar waar het gaat om 'vrije markttoegang en handelsbarrières' is het de vraag of rechtvaardigheid internationaal situationeel kan worden bepaald in een open debat tussen redelijke mensen.
  3. Denk en handel internationaal. De kredietcrisis is internationaal. Wij kunnen los daarvan leren van andere landen. En veiligheid is een grensoverschrijdend onderwerp. Ideologie die internationaal denken en handelen beperkt is daarom niets minder dan ernstig beperkend. Deze richtingwijzer is voor wat betreft 'vrije markttoegang en handelsbarrières' helder: internationaal denken en handelen verlangt minder ideologie ('zoeken naar waarheid') en meer pragmatiek ('doen wat werkt'). Ontwikkeling, stabiliteit en veiligheid van individuen en collectieven zijn gebaat bij open markten en het wegnemen van barrières.
  4. Koester de grondrechten en gedeelde waarden. Een pleidooi voor tolerantie, juist bij botsende grondrechten veroorzaakt door verregaande globalisering en internationalisatie. Je eerst verplaatsen in de ander en dan pas oordelen en veroordelen. Daarbij past volgens D66 dat de eigen ontwikkeling van burgerschap als belangrijker dan het opleggen van gemeenschappelijke waarden wordt gevonden. Als het gaat om 'vrije markttoegang en handelsbarrières' is het perspectief van Nederland volgens deze richtingwijzer maar één van de perspectieven die we aan kunnen nemen: vrijheid geven is vrijheid nemen (vrij naar Despinoza).
  5. Streef naar een duurzame en harmonieuze samenleving. Duurzaam en harmonieus heeft betrekking op ecologie, economie en sociologie. Deze richtingwijzer suggereert dat een balans of synthese tussen deelbelangen en wereldbeelden mogelijk is. Dat lijkt mij bij 'vrije markttoegang en handelsbarrières' een politieke vraag. Wat is duurzaam wanneer het gaat over markten? Wat is harmonieus in termen van handel?

Conclusies

  • Vertrouwen op de eigen kracht van mensen is richtinggevend bij vrije markttoegang en handelsbarrières voor zover de geografische context waarbinnen de mensen op wiens kracht vertrouwd zal worden overzichtelijk is en er relatief weinig dynamiek binnen deze geografische context plaatsvindt.
  • Beloon prestaties en deel de welvaart is gezien de vraag of rechtvaardigheid internationaal situationeel kan worden bepaald in een open debat tussen redelijke mensen, waarschijnlijk niet richtinggevend. Tegelijkertijd is gelijkheid een zeer richtinggevend principe bij vrije markttoegang.
  • Denk en handel internationaal verlangt minder ideologie ('zoeken naar waarheid') en meer pragmatiek ('doen wat werkt').
  • Koester de grondrechten en gedeelde waarden suggereert dat een perspectief van Nederland maar één van de perspectieven is die we aan kunnen nemen. Wat betekent vrije markttoegang en handelsbarrières voor Nederland, en wat betekent het voor andere landen? Zonder antwoorden van andere landen in overweging te nemen, kan geen effectief beleid worden ontwikkeld.
  • Streef naar een duurzame en harmonieuze samenleving roept een politieke vraag op. Wat is duurzaam wanneer het gaat over markten? Wat is harmonieus in termen van handel?

Ontwikkeling, stabiliteit en veiligheid van individuen en collectieven in Nederland, Europa en overal in de wereld zijn gebaat bij open markten en het wegnemen van barrières. Zonder barrières krijgt vertrouwen de ruimte zich te ontwikkelen en neemt onderlinge afhankelijkheid toe. Toenemende afhankelijkheid zal een beroep doen op het gezamenlijk situationeel definiëren van rechtvaardigheid. Daarbij heeft pragmatiek een belangrijk voordeel ten opzichte van ideologie: zij weet veel beter om te gaan met situationele aspecten. Zonder barrières wordt het uitwisselen van perspectieven vereenvoudigt: concreet wordt duidelijk wat voordeel en nadelen van een maatregel voor de een en voor anderen zijn. Markten zijn constructen waarin economen vraag en aanbod aan elkaar gekoppeld zien in prijs. Markten zijn altijd dynamisch. Toegang en barrière kunnen volgens mij uitsluitend worden bezien vanuit deze dynamiek. Daarom sluit ik graag af met het volgende citaat van twee leden van de permanente programma commissie van D66: 'Het gaat erom dat de oplossingen die politici aandragen een antwoord geven op werkelijk bestaande problemen. De lakmoesproef bij alles wat we vinden moet zijn: werkt het? Juist deze pragmatische vertaling van onze sociaal-liberale idealen onderscheidt D66 van anderen.'

Bronnen
Mak. G. (2004). De mercator sapiens anno 2004 - Over eenzaamheid, moed en vertrouwen. Raiffeisenlezing 31 maart 2004.

Enkele notities over uitdagingen binnen internationale samenwerking

Opdracht: beschrijf in 200 tot 300 woorden wat volgens jou de belangrijkste uitdagingen op het gebied van internationale samenwerking zijn.

Enkele notities over uitdagingen binnen internationale samenwerking
De uitdaging die ik wil noemen is er één die bij het overdenken spontaan in mijn hoofd ontstaat. Kan dat eigenlijk wel: samenwerken op internationaal niveau. Kunnen overheden en staten op internationaal niveau samenwerken, en meer precies: effectief internationaal samenwerken?
Samenwerking veronderstelt namelijk overeenstemming tussen - en dus gelijkwaardigheid in de ontwikkeling van - de samenwerkende partners. Dit terwijl internationale samenwerking veelal een vorm van ontwikkelingssamenwerking is, waarin de partners in termen van ontwikkeling niet gelijkwaardig zijn. Waarom is niet gekozen voor een ander woord dan samenwerking (investering, aanmoediging, verlichting, ondersteuning etc.).

Deze stellingname suggereert dat ik bekend ben met universele eisen aan effectieve samenwerking. Ik weet niet of ik dat ben en of zulke eisen bestaan. Op basis van mijn bedrijfs- en organisatiekundige achtergrond kan ik wel tot een viertal eisen aan effectieve samenwerking komen. Dat zijn de volgende vier:

  1. Efficiency: de mate waarin binnen de samenwerking bij gegeven doelstellingen de te bereiken eindtoestand wordt bereikt met opoffering van zo weinig mogelijk middelen.
  2. Satisfactie: de mate waarin binnen de samenwerking de behoeften van de samenwerkende partners worden bevredigd door middel van intrinsieke en extrinsieke factoren.
  3. Behoeftevoorziening: de mate waarin binnen de samenwerking in de eisen en behoeften van belanghebbende partijen in de externe omgeving van de partners wordt voorzien.
  4. Zelfhandhaving: de mate waarin respectievelijk de snelheid waarmee binnen de samenwerking gereageerd kan worden op zich wijzigende externe omstandigheden met betrekking tot het beleid, de organisatievorm van de samenwerking en de operationele uitvoeringsdoelstellingen op korte termijn.

De criteria efficiency, satisfactie, behoeftevoorziening en zelfhandhaving bepalen in onderlinge samenhang de totale effectiviteit van een samenwerking. Nu vermoed ik dat internationale samenwerking vaak meer een maatschappelijk-idealistisch dan een economisch karakter heeft, wat het hanteren van deze criteria in enige mate bemoeilijkt.

Welvaart (economisch) laat zich makkelijker meten dan welzijn (maatschappelijk-idealistisch), en dus delft efficiency het onderspit ten opzichte van bijvoorbeeld doelmatigheid of intentie. Openheid over de mate waarin internationale samenwerking eigen behoeften van samenwerkende overheden of staten bevredigd is tot op zekere hoogte mogelijk, al lijkt dat niet in alle gevallen politiek opportuun. Voor wat betreft behoeftevoorziening is de korte termijn vaak evident, maar de lange termijn een politieke inschatting; internationale samenwerking heeft zelden een democratisch karakter. Zelfhandhaving tenslotte, lijkt een toepasbaar criteria voor het vaststellen van de robuustheid van internationale samenwerking. Tegelijkertijd is zelfhandhaving binnen internationale samenwerking vaak geen doel, omdat daarmee een schijn wordt gewekt van niet haalbare doelstellingen.

Mijn conclusie luidt hier als volgt. Het bepalen van de effectiviteit van internationale samenwerking is niet eenvoudig, en daar waar objectief waarnemen en valideren lastig wordt, neemt geloven het vaak over. Een gerechtvaardige vraag is daarmee de volgende: is internationale samenwerking een vorm van religie?