Masterclass programmaformulering

Onderliggende opbouw van een verkiezingsprogramma

Mogelijke interpretatie is lineair, circulair of hierarchisch:
Verlangen > Zorgen > Oplossingsrichtingen > Principes > Keuzes > Programmapunten
  1. Wat is ons verlangen? Wat is de ideale situatie? En wat zijn onze wensen?
  2. Wat zijn onze grootste zorgen? Waar maken we ons druk over? Wat is de samenhang? En wat is de context?
  3. Wat zijn oplossingsrichtingen? Waar zijn in grote lijnen de oplossingen te vinden? En hoe zien deze er uit op meta niveau bezien?
  4. Wat zijn onze principes bij het zoeken naar oplossingen en maken van keuzes? Welke uitgangspunten hanteren we? En welke principes passen we vanuit onze levensvisie toe?
  5. Wat zijn de politieke keuzes die we maken? Wat vloeit voort uit de principes? En wat ligt ten grondslag aan concrete maatregelen?
  6. Wat zijn de concrete programmapunten die we voorstellen? Wat betekent dit praktisch vertaald? Waar stoppen we mee? En waar beginnen we mee?

Masterclass fondsenwerving

Fondsenwerving is in de politiek een heikel onderwerp. Tegelijkertijd is het beschikbaar stellen van financiële middelen om maatschappelijke idealen te helpen realiseren volkomen geaccepteerd. Denk bijvoorbeeld aan 'goede doelen'. Een positieve kosmopolitische politieke partij verkoopt hoop én is authentiek in het benoemen van zorgen (zonder dat het verwordt tot het prediken van angst).

Onderwerpen masterclass fondsenwerving:

  • fondsenwerving gaat niet over geld maar over het bereiken van doelen
  • historisch is sponsoring (sponsoren kopen eigenlijk media exposure) verworden tot fondsenwerving (gever wil impact bezien en verwoord met één boodschap door iedereen binnen een ontvangende organisatie)
  • het antwoord op vermeende belangenverstrengeling is altijd transparantie
  • geen verschillen tussen privé relaties onderhouden en relaties onderhouden ten behoeve van fondsenwerving
  • goed startpunt zijn actieve leden met grote netwerken
  • trend om fondsenwerving breder in te zetten (niet alleen onder leden werven), projecten te selecteren gebaseerd op een thema (training en opleiding rendeert beter dan campagne) en potentiële gevers individueler te benaderen
  • push ("opzoeken/overtuigen") versus pull ("mogelijk maken/faciliteren")

'Als je geld wilt, moet je om advies vragen. En als je advies wilt, moet je om geld vragen.'

Concrete suggesties:

  • ... maar je moet wel om geld vragen ("één van de mogelijkheden is geld geven")
  • selecteer tien projecten en licht er één uit ("Wij investeren in (...). Investeer mee!")
  • afstand tot doen is groot, maak zo concreet mogelijk wat er voor actie ontstaat
  • politiek gaat vaak over problemen, herformuleer naar keuzes en bedenk initiatieven om doelen te bereiken
  • in politiek gaat het om one-liners die in debat worden genuanceerd, kies daarom één perspectief en beperk het daartoe
  • criteria aan het doel: geloofwaardigheid, benadering, urgentie
  • geef géén garanties
  • het kapitaal dat de fondsenvrager ter beschikking heeft is de waarde van zijn organisatie, zijn visie over waar naartoe: "en dat kunnen we niet alleen, daar hebben wij hulp bij nodig".
  • wees enthousiast
  • geef het goede voorbeeld
  • bedenk wie wie aanspreekt (hoogte bedrag in relatie tot aanzien vrager), wees bereid om veel voor te bereiden en weinig eer te krijgen

'Als je doordrongen bent van het feit dat fondsenwerving niet over geld gaat, dan haal je heel veel op. Maar je mikt altijd op support. Want dat is hetgeen rendeert op de lange termijn. Wel nadenken over het rendement op de onmiddelijke investering, maar niet benoemen want dan gaat het alsnog alleen over geld.'

De armoedeval (Collier, 2007)

Paul Collier, professor economie aan Oxford en jarenlang directeur van de Wereldbank, stelt dat er rond een miljard mensen zijn die gevangen zitten in de zogenaamde armoedeval ("bottom billion").

De armoedval wordt veroorzaakt door vier onderliggende vallen die steeds weer voorkomen.

De conflictenval wordt veroorzaakt door de voortdurende burgeroorlogen en coups die in de 'bottom billion' landen voorkomen en die veel kapotmaken van wat de vorige machthebbers hebben opgebouwd.

De grondstoffenval ontstaat wanneer een land veel natuurlijke hulpbronnen heeft in de vorm van kostbare mineralen of olie. Een steeds terugkerend fenomeen in die landen is de Dutch Disease, genoemd naar het verschijnsel in Nederland in de jaren zeventig waar de gulden door onze gasverkopen zoveel in waarde steeg dat alle andere exporten te duur werden voor het buitenland. Het gevolg was dat er weinig ontwikkeling in de niet-competitieve industrieën plaatsvond waardoor productiviteit en innovativiteit rap achteruit liepen, met alle economische schade op lange termijn van dien.

In de geografische val is een land helemaal omgeven door andere landen, zonder toegang tot de zee. Daarbij zijn de aangrenzende landen slechte buren in de zin dat deze om allerlei redenen geen goede afzetmarkt vormen. Hierdoor blijft de economische afzetmarkt voor de 'bottom billion'-landen beperkt tot het eigen land, temeer omdat exporteren naar nog verder gelegen landen vaak economisch onrendabel is door de slechte infrastructuur in de omliggende gebieden.

De bestuursval wordt veroorzaakt door de slechte kwaliteit van het politieke en overheidsbestuur en het management van het bedrijfsleven in de 'bottom billion'-landen. Dit wordt mede veroorzaakt doordat goed opgeleide mensen vaak de uitzichtloze lokale situatie ontvluchten en naar het buitenland gaan om daar een bestaan op te bouwen, de zogenaamde braindrain.

Tevens stelt hij dat er in de samenlevingen die zich in de 'bottom billion' bevinden, mensen zijn die ondanks alles proberen te ontsnappen terwijl tegelijkertijd machtige groeperingen (corrupte politici, overheidsambtenaren, leger) er alles aan doen om die mensen te blijven onderdrukken. Ook liefdadigheidsorganisatie (bestaansrecht behouden) en Westerse politici (publiciteit genereren, maar vervolgens toezeggingen niet waarmaken) hebben belang bij een status quo.

Tenslotte stelt Collier dat het rijke Westen kan en moet ingrijpen, maar wel op een andere manier dan tot nu toe gebruikelijk. Namelijk door toepassing van een combinatie van niet-financiële ontwikkelingshulp, gericht op het ontwikkelen van de capaciteiten van lokale bestuurders en managers, aangepaste handelspolitieken waarbij handelsbarrières in Westerse landen én op lokaal niveau worden geslecht en nieuwe veiligheidsstrategieën waarbij militair ingrijpen niet wordt geschuwd.

De oplossing voor de bottom-billion is volgens Paul Collier: 1. niet-financiële ontwikkelingshulp, 2. aangepaste handelspolitieken en 3. nieuwe veiligheidsstrategieën.

bron: Collier, P. (2007). The Bottom Billion. Why the poorest countries are failing and what can be done about it. Oxford: Oxford University Press.

Debattheorie

Het Standaard Geschillen model
Een veel gebruikt model om argumenten te vinden, stellingen te onderbouwen en betogen te structureren is het Standaard Geschillen model. Dit model is oorspronkelijk ontwikkeld rond vier centrale twistpunten die de kern weergaven in menig beleidsdebat. Inmiddels circuleren hiervan verschillende varianten, waaronder onderstaande variant met vijf twistpunten. Het raamwerk kan als hulpmiddel dienen om argumenten te zoeken en in te zetten. Als voorstander moet je in principe al deze punten overeind houden terwijl je als tegenstander op zijn minst één van deze punten overtuigend moet weerleggen om het debat te winnen.

1. Is er een probleem?
Als eerste moet je als voorstander altijd aantonen dat er een onwenselijke situatie bestaat waardoor jij ruimte creëert om met een goed plan te komen wat deze situatie kan verbeteren. Als tegenstander kun je proberen aan te tonen dat er geen probleem is, maar je kunt het ook gewoon erkennen en je richten op één van de andere punten.

2. Zorgt het plan voor een effectieve oplossing?
Effectiviteit is erg belangrijk. Als de voorstanders er niet in slagen om de link aan te tonen tussen de oplossing van het probleem en het plan, zullen zij het debat niet winnen. Als tegenstanders heb je dus de taak om de causale link proberen om ver te werpen. Als tegenstander kun je bijvoorbeeld dus tegen de invoering van preventief fouilleren pleiten omdat de fundamentele oorzaken van het veiligheidsprobleem hiermee niet worden opgelost, en men de problemen hiermee dus verplaatst naar andere gebieden.

3. Is het plan uitvoerbaar?
Een plan kan nog zo mooi zijn, maar als het niet uitvoerbaar is, houdt het op. Als oplossing voor een handelsconflict met de Verenigde Staten zou je er bijvoorbeeld voor kunnen pleiten om met 30 Belgische vliegdekschepen de Verenigde Staten te omsingelen. Als blijkt dat België er maar 3 heeft, wordt dit een lastig uit te voeren plan.

4. Is het plan aanvaardbaar? Wegen de voordelen op tegen de nadelen?
Vele debatten blijken vaak te gaan om praktische issues, maar wellicht nog meer om ethische zaken die betrekking kunnen hebben op de aanvaardbaarheid van een plan. Het doodschieten van alle gepensioneerden in België kan het vergrijzingsprobleem drastisch reduceren, maar zal op problemen van morele aanvaardbaarheid stuiten.

5. Is er geen beter plan?
Uiteraard kan er altijd een beter plan zijn. Het is als oppositie niet wijs om heel je betoog hieraan op te hangen, maar soms kan het wel verstandig zijn om betere alternatieven te noemen, bijvoorbeeld om de ineffectiviteit aan te tonen van plannen die voornamelijk de gevolgen en niet de oorzaken van een bepaald probleem aanpakken.

Het SEXI-model
Een ander model is niet bedoeld om op macroniveau argumenten te structureren, maar op microniveau. Met andere woorden, met het SEXI-model kun je een argument intern logisch en overtuigend neerzetten. Het model ziet er als volgt uit.

1. Statement
De S van het SEXI-model komt van Statement, omdat je aan het begin van een argument goed moet uitleggen wat je stelling is. Een Statement kan bijvoorbeeld zijn: “Honden zijn sociale wezens. Dat betekent dat zij goed met mensen overweg kunnen en graag van mensen aandacht krijgen.”

2. Explanation
De EX van het SEXI-model komt van Explanation, omdat na de stelling een uitleg moet volgen over waarom dat dan wel zo is. In bovenstaand voorbeeld zou dat kunnen zijn dat honden van oorsprong in roedels leefden en daarin gewend zijn geraakt aan hiërarchie en samen met elkaar leven. Alleen zijn is dus iets wat honden van nature niet ligt. Daarmee geef je de achterliggende oorzaak aan van je stelling.

3. Illustration
De I van het SEXI-model komt van Illustration, omdat je na een goed uitgelegd argument je voordeel kunt doen met een leuk of sprekend voorbeeld. In bovenstaand voorbeeld zou je bijvoorbeeld kunnen denken aan de vele TV-beelden waarin honden hun baasjes aflikken bij thuiskomst, of de mensen die een hond hebben tegen eenzaamheid. Daarmee geef je extra kracht mee aan een argument.

Praktische opmerkingen over debatteren

De stelling
Een goede stelling
Elk debat heeft een stelling met het doel om duidelijk te maken waarover het debat gaat. Een goede stelling is helder, bondig, stellig, bevat geen argumenten en moet voldoende ruimte bieden aan voor- en tegenstanders.

Twee soorten stellingen
Er zijn twee soorten stellingen: beleidsstellingen en waardestellingen. De eerste soort geeft een bepaald voorstel voor nieuw beleid terwijl de tweede soort een waardeoordeel geeft over een bepaald verschijnsel. Met beide soorten stellingen valt een goed debat te voeren, hoewel debatten met concrete beleidsvoornemens vaak makkelijker zijn om over te debatteren. Als je een waardestelling vervelend vindt, kun je deze altijd omvormen tot een beleidsstelling.

Herdefiniëren van een stelling
Stellingen kun je herdefiniëren en wel op verschillende manieren en op verschillende gronden. Echter is dat wel iets om mee op te passen omdat dat niet altijd geaccepteerd wordt door een jury. Vaak zijn regels hiervoor vastgelegd in het debatreglement. Je kunt er meestal echter wel voor kiezen om van een waardestelling een beleidsstelling te maken, of om een stelling in te perken of uit te breiden, al moet je er altijd voor zorgen dat de tegenstander nog wel een goede te debatteren stelling voor zich heeft.

Voor- en tegenstanders
Twee kampen
In een debat zijn de deelnemers in twee kampen verdeeld: voor- en tegenstanders. Beide kampen krijgen evenveel tijd om argumenten naar voren te brengen. Als voorstanders heb je de taak om de stelling te definiëren, nader uit te werken in een plan, en met argumenten het publiek of de jury overtuigen van nut en noodzaak van jouw plan. De tegenstanders kunnen schieten op het plan, en hun betoog ondersteunen met argumenten. Daarnaast mogen ze ook alternatieven bieden, maar daar niet te veel de nadruk op leggen. Het moet immers wel over de stelling blijven gaan.

Geen mening
Belangrijk om te blijven herinneren in een debat is dat je geen mening hebt op dat moment, althans in zoverre dat je eigen mening er niet toe doet. Als overtuigd vegetariër zul je dus soms voor een intensieve veeteelt moeten pleiten, en als verstokt roker voor een rookverbod in de horeca. De ware debater kan zich onderscheiden doordat hij zijn eigen mening uit kan schakelen en aan elke stelling twee goed te verdedigen kanten verbonden ziet.

Vaste spreektijden
Spreektijden
Eén van de belangrijke verschillen tussen een discussie en een debat is dat de laatste gereguleerd is. Dit houdt onder andere in dat je niet zelf kunt bepalen wanneer je gaat spreken maar dat dit afhankelijk is van de debatvorm en de daarbij behorende spreektijden. Zo zijn er debatvormen – zoals het Amerikaans Parlementair debat – waarin twee teams van twee personen om de beurt 2, 3, 5 of soms wel 7 minuten kunnen spreken.

Interventies
In sommige debatten zijn ook interventies mogelijk, ofwel interrupties. Deze zogenaamde ‘punten van informatie’ kunnen tijdens een debatbeurt van de tegenstander worden ingebracht en kunnen je – mits de tegenstander dat toelaat – in staat stellen om in de tijd van de tegenstander zijn argumenten omver te werpen. Het gebruik van interventies verschilt van debat tot debat, maar maken het debat in alle gevallen spannender en interessanter.

Beoordeling door jury en/of publiek
Richt je op publiek en/of jury
Eén van de meest voorkomende fouten tijdens het debatteren is het als debater niet richten op het publiek of de jury maar op de tegenstander. Soms is het zelfs zo erg dat het lijkt alsof men elkaar probeert te overtuigen. Echter zal Nixon geweten moeten hebben hij Kennedy nooit zal overtuigen, en zo zal dat andersom ook zijn. Een goede debater richt zich op het publiek of de jury want dat zijn de mensen die je moet overtuigen. Je kunt deze dan in principe ook aanspreken op meerdere momenten in het debat.

Jurering
Als je uiteindelijk beoordeeld wordt door een publiek zal je iets meer je emotie moeten laten zien en iets meer gebruik moeten maken van non-verbale technieken dan als je beoordeeld wordt door een professionele jury. Deze analyseert het debat over het algemeen grondig en laat daar in de eerste plaats op argumenten. Om een wedstrijddebat te winnen zul je dus met name op je argumenten moeten letten en het zo helder en overtuigend mogelijk naar voren brengen van deze argumenten.

Het Nieuwe Ontwikkelen, een pleidooi voor onderwijs

Meten is weten, ook al weten we dat we niet altijd alles kunnen meten.
Zo laat de welvaart van ons land zich beter meten dan de geluksbeleving van onze burgers.
En gaat het debat over ontwikkelingssamenwerking veel over geld en weinig over mensen.
Ik zal vandaag een pleidooi houden over de toekomst van ontwikkelingssamenwerking.
Een pleidooi onder de noemer 'Het Nieuwe Ontwikkelen', een pleidooi voor onderwijs.

In ons debat over ontwikkelingssamenwerking gaat het helemaal niet over ontwikkelen.
Het gaat vooral over investeren en over de effectiviteit van deze investering.
Ook in ontwikkelingssamenwerking lijkt de financieel rekenaar het te winnen.
En gaat het bij de onderhandeling om het aantal procentpunten en wat de norm is.
In plaats van dat het gaat om de vraag hoe wij betere kansen kunnen creëren.

Het gaat in het debat van ontwikkelingssamenwerking evenmin over samenwerking.
Natuurlijk is samenwerken goed voor de ander, zo zijn onze nobele intenties.
Maar het ontwikkelen van de ander levert ons ook op en is verre van idealistisch.
Betere kansen voor individuen op de wereld stimuleert de vraag in onze economieën.
Het ontwikkelen van de ander dient onze Nederlandse belangen.

Energiecrisis, voedselcrisis, kredietcrisis: problemen zijn er om opgelost te worden.
De achterliggende oorzaken krijgen we echter niet altijd helder.
Onze focus op de korte termijn is nu eenmaal eenvoudiger dan een visie op de lange termijn.
En dus is iedere crisis een nieuwe reden om tot snelle interventies te komen.
Snelle interventies zonder samenwerking zijn echter het tegenovergestelde van onderwijs.

Als sociaal-liberaal vind ik dat ieder individu kansen verdient.
En dat we samen moeten streven naar een toegankelijk speelveld.
Veel mensen verdienen betere kansen, waar ze zich ook ter wereld bevinden.
Ik ben in de overtuiging dat we met onderwijs deze kansen kunnen creëren.
Wij willen daarom alle vormen van ontwikkelingssamenwerking aan onderwijs koppelen.

Als we honger willen uitbannen moeten we onderwijs toegankelijk maken.
En niet langer reflexmatig reageren op ieder internationaal conflict.
De enige structurele uitweg uit armoede in een land is het creëren van meer inkomsten.
En de beste langetermijninvestering voor meer inkomsten is een investering in onderwijs.
Wij moeten daarom alle vormen van ontwikkelingssamenwerking aan onderwijs koppelen.

Kiezen voor de eigen kracht van mensen vereist lef, durf en doortastendheid.
Lef om onrechtvaardigheid niet te gebruiken als argument voor kortetermijnoplossingen.
Durf om alle voedselhulp, energielevering en kredietverschaffing te koppelen aan onderwijs.
En doortastendheid door het initiatief voor de toekomst niet over te nemen van de ander.
Met lef, durf en doortastendheid kunnen wij 'Het Nieuwe Ontwikkelen' realiseren.

Maar zonder voedsel geen onderwijs, dus voedsel eerst.
Verwacht ondanks dat van mij geen pleidooi voor een verbod op biobrandstoffen.
Noch een pleidooi voor grootschalige genmodificatie.
En zeker niet voor het incidenteel dumpen van voedseloverschotten.
Verwacht van mij wel een pleidooi voor het opheffen van onrechtvaardige handelsbarrières.

'Het Nieuwe Ontwikkelen' betekent dat wij afscheid nemen van ons superioriteitsdenken.
Met onderwijs kunnen mensen zelf oplossingen bedenken, zelf deze keuzes maken.
Dat kan alleen als landen stabiel en mensen veilig zijn, met open markten en zonder barrières.
Zonder handelsbarrières neemt de onderlinge afhankelijkheid toe.
En krijgt vertrouwen de ruimte zich te ontwikkelen tot een gedeelde rechtvaardigheid.

Onderwijs is het startpunt voor internationale democratisering en politieke stabiliteit.
Onderwijs gaat om het creëren van betere kansen.
Onderwijs is de uitweg uit gewapende conflicten.
Onze hersenen hebben daarvoor wel de nodige brandstof nodig.
'Het Nieuwe Ontwikkelen' begint daarom met een rechtvaardige voedselverdeling.

Persoonlijke visie op internationale samenwerking

In mijn ervaring en overtuiging is de grootste uitdaging van internationale samenwerking het overtuigen van individuele mensen dat het zinvol is om als collectief (land, werelddeel) internatio­naal samen te werken. Dat is voor mij op een principieel niveau uitdagend, omdat het liberalisme uitgaat van vrijheid van het individu zolang het niet ten koste gaat van het collectief. Omdat dit fundament start vanuit het individu en niet vanuit samenwerking dringt een natuurlijke weerstand tegen internationale samenwerking zich eenvoudig op. Gelukkig kan ik mij beroepen op een geloof in de complementariteit van het liberalisme en het socialisme. Deze politieke stromingen zie ik als twee delen van één waarheid. Jazeker, individuele mensen verdienen de kans zich volledig te ontwikkelen, zolang als dat niet ten koste gaat van het collectief. Tegelijkertijd vind ik dat het collectief tot actie moet komen als individuele mensen geen kansen krijgen zich te ontwikkelen, zolang deze actie de kansen voor individuele mensen om zich te ontwikkelen niet beperken. Beide stromingen beschouw ik als verzoeningen van het dilemma individu versus collectief, ieder vanuit een ander start­punt.

Individuele mensen verdienen kansen, waar ze zich ook ter wereld bevinden
Zolang ook maar ergens ter wereld sprake is van mensen die geen kansen krijgen zich te ontwikkelen in onderwijs, bestuur of onderneming vind ik het zinvol om met alle daarvoor beschikbare energie internationale samenwerking na te streven. Met zinvol bedoel ik dat ik geloof dat internationale samenwerking effectief is als we honger willen uitbannen, onderwijs toegankelijk willen maken, mannen en vrouwen gelijke rechten willen geven, sterfte door zwangerschap en kindersterfte willen voorkomen en een duurzaam leefmilieu willen nastreven. Of het middel daarvoor nu een eerlijker economisch systeem of een volledige schuldenverlichting voor arme landen is. Of we daarvoor nu eerst een gedeeld juridisch fundament nodig hebben, of een wereldwijd opererend bestuurlijke organisatie. Het begint in alle gevallen met het overtuigen van individuele mensen dat een middel alleen tot resultaat zal leiden als er internationaal wordt samengewerkt. Ik denk dat we dat niet kunnen bewijzen, en vind dat we hieraan intuïtief, vanuit hoop en positivisme en op basis van vertrouwen moeten werken.

Werken aan de overtuiging dat internationaal samenwerken werkt
Intuïtief kies ik bij het werken aan de overtuiging dat internationaal samenwerken werkt voor een focus op het bereiken van een rechtvaardige wereldwijde voedselverdeling. Ik heb de hoop, dat investeren in onderwijs hiervoor op de lange termijn het meest effectieve instrument is. Mijn ideale internationale samenwerking stapt dan ook af van crisismanagement op het gebied van voedsel, energie of krediet en kiest voor investeren in onderwijs. Dit vereist lef, durf en doortastendheid. Lef om onrechtvaardigheid niet te gebruiken als argument voor kortetermijnoplossingen als voedselhulp, energielevering of kredietverschaffing. Durf om ernaar te streven dat met het opleiden van mensen het adresseren en aanpakken van onrechtvaardigheid zal ontstaan. En doortastendheid om met de ander te bepalen wat de behoefte aan onderwijs is en hoe deze het beste kan worden vervuld.

Hoe lossen we de voedselcrisis op?

Nooit eerder in de geschiedenis van de wereld produceerden we zoveel eten. Tegelijkertijd lijden er volgens de Food and Agriculture Organization van de Verenigde Naties dagelijks 923 miljoen mensen honger. In 33 landen is er momenteel sprake van een ernstig voedseltekort waarvoor hulp van buiten nodig is. En naar schatting van het Worldwatch Institute heeft een kwart van de huidige 43 gewapende conflicten een oorzaak in schaarste van natuurlijke bronnen. De prijzen van basisvoeding stegen in 2007 sterk, waardoor een additionele 75 miljoen mensen honger lijden. Met de midden 2008 ingezette daling van dezelfde prijzen is er sprake van enige verlichting. De wereldwijde verdeling van voedsel is echter mijlenver verwijderd van een rechtvaardige toestand.

Laten we om te beginnen het woord 'voedselcrisis' vervangen door de woorden 'structureel onrechtvaardige voedselverdeling'
Of de term crisis in de letterlijke zin de lading dekt van deze situatie, vraag ik me namelijk af. Een crisis is volgens de Van Dale een wending, een keerpunt, een periode van ernstige stoornis of 'een toestand waarin de oude levensgewoonten ontoereikend blijken voor een harmonische oplossing van gerezen moeilijkheden'. De tijdelijkheid die deze deeldefinities met zich meebrengen, lijkt niet op te gaan voor de wereldwijde verdeling van voedsel. Deze is structureel onrechtvaardig verdeeld: er is genoeg voedsel voor iedereen maar we krijgen het maar niet voor ieder mens op het juiste moment op de goede plek. Wat een voedselcrisis wordt genoemd is in essentie daarom een logistiek probleem. Het is voor mij de vraag of het geven van inhoud aan woorden als 'crisismanagement', 'drastische maatregelen' en 'oplossingen' zinvol is. Ik wil voorstellen dat we kiezen voor het bereiken van 'voedselgerechtigheid' door groei van 'voedselbewustzijn' bij het weldoorvoede deel van de wereld en het bereiken van 'logistieke voedseloptima'. Vanwege de schaal van het probleem heeft ieder individu een verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de oplossing.

Nu de twee essentiële vragen. Bestaat zoiets als 'oorzaken van een voedselcrisis'? En bestaat zoiets als 'oplossingen van een voedselcrisis' of zou zoiets kunnen bestaan?

Eerst begrip van de oorzaken...
De oorzaak voor de structureel onrechtvaardige voedselverdeling is een complex geheel van ondermeer situationele en seizoensafhankelijke natuurlijke omstandigheden (droogte, overstroming), prijsfluctuaties van voor moderne en grootschalige voedselproductieprocessen benodigde energie, veranderingen in eetpatronen in relatie tot ontwikkeling van economieën en subsidiestelsels. Binnen dit geheel heeft de relatie tussen olie en voedsel veel aandacht gekregen, terwijl de groei van de wereldbevolking weinig aandacht krijgt. Ik vermoed omdat deze variabele als moeilijk beïnvloedbaar of politiek controversieel wordt gezien.

... en dan zoeken naar oplossingen
Nobelprijswinnaar Amartya Sen stelt dat voedseltekorten op het niveau van een land in de eerste plaats worden veroorzaakt door een te laag nationaal inkomen (en niet door een te lage nationale voedselproductie). Een oplossing voor voedseltekorten ligt daarom op dit niveau in de combinatie van democratisering, politieke stabiliteit en het uitblijven van gewapende conflicten. Perioden van droogte of overstroming zijn dan eenvoudiger door te komen. Dit alles start met onderwijs. Geïsoleerde oplossingen als een verbod op biobrandstoffen, een pleidoor voor grootschalige genmodificatie en het incidenteel dumpen van voedseloverschotten zijn daarom niet effectief.

Is een fonds van 1 miljard Euro voor boeren in arme landen (door het Europees Parlement aangenomen voorstel van Thijs Berman) een 'oplossing voor de voedselcrisis'?

1 miljard Euro waarmee op lokale markten zoveel mogelijk 'gewaszaden, bemesting en microkredieten' kan worden ingekocht of aangeboden. Het is een waardevolle incidentele bijdrage. Het is geen structurele oplossing. Voor elke euro ontwikkelingshulp die ontwikkelingslanden ontvangen, verliezen ze er volgens Oxfam twee aan onrechtvaardigde handelsbarrières. De structurele oplossing van onderwijs als basis van groei van nationale inkomens wordt hierdoor belemmerd. De structurele oplossing is het opheffen van onrechtvaardige handelsbarrières en het investeren in onderwijs.

If you could ask Paddy Ashdown three questions, what would they be?

  1. What does Europe currently mean to you, and to what degree would you say Europe is something 'to believe in'? What should the EU's future role be in peacemaking and peacekeeping (in- and outside of the borders of the EU)?
  2. When you talk about more success in peacemaking and peacekeeping, you talk about both institutional changes (UN, NATO, EU, Private Sector) as well as changing mindsets. The dilemma seems to be in the shift from conflict phases (which need 'hard power') to prevention and post-conflict reconstruction phases (which need 'soft power'). I sometimes work in international environments, where dilemma reconciliation (based on the works of Charles Hampden-Turner and Fons Trompenaars) is a useful tool for dealing with cultural differences in a working environment. Key ingredient in dilemma reconciliation are the following questions or thought experiments: 'how can we achieve more prevention and reconstruction (using 'soft power') by dealing with more conflict (using 'hard power')' an 'how can we better deal with more conflict (using 'hard power') by achieving even more prevention and reconstruction (using 'soft power')?' Would you like to spend some time trying to reconcile this dilemma?
  3. Will the credit crunch and a global economic downturn help in peacemaking and peacekeeping? Or will it have a severly negative impact on these efforts? If so, what can governments and other institutions do to prevent more international conflicts? And what can individuals do?

Vrije markttoegang en handelsbarrières volgens D66

Opdracht: bestudeer publicaties en/of uitingen van je partij (bijv. verkiezingsprogramma’s, beginselprogramma’s, publicaties van een wetenschappelijk instituut). Destilleer daaruit de opvatting van je politieke partij over vrije markttoegang en handelsbarrières. Analyseer vervolgens wat de gevolgen zouden zijn van je partijopvatting voor de (economische) situatie in Nederland en de (economische) situatie in ontwikkelingslanden. Leg het bovenstaande vast in maximaal 600 woorden.

'Samenlevingen zijn op steeds meer verschillende manieren met elkaar verbonden. Wij staan open voor de gehele wereld en sluiten niemand uit.

Bij alles wat we doen, vragen we ons steeds af welke effecten dat heeft op anderen in deze wereld. Wij onderkennen dat Europa steeds meer ons binnenland wordt.

Internationale samenwerking en economische vooruitgang zijn de sleutels naar een wereld met minder oorlog en conflicten.

Daarbij handelen wij steeds pragmatisch, nuchter en op basis van feiten.'

Uit: Richtingwijzers voor een progressieve sociaal-liberale visie, richtingwijzer 'Denk en handel internationaal'.

Vrije markttoegang en handelsbarrières volgens D66
Denk en handel internationaal. Dat is de titel en essentie van één van de vijf richtingwijzers van D66. Richtingwijzers. In een partij waarin dogmatisch denken en fundamenten in belangrijke mate onderhevig zijn aan pragmatiek is dat the best you can get als het gaat over partijpolitieke opvattingen. Overigens wel opgesteld door een zogenaamde 'Permanente Programma Commissie'. Pragmatiek versus permanent: voelt u de spanning?

Richtingwijzers gaan over ideeën en uitgangspunten die leden van D66 met elkaar delen of bediscussiëren. Delen en discussiëren in het hart van een programma, dat lijkt me een mooi uitgangspunt. De vijf richtingwijzers zijn volgens de auteur(s) onlosmakelijk met elkaar verbonden, in mijn ogen gezien het abstractieniveau een valide bewering. En in welke context ook, prefereer ik relatief onzekere richtingwijzers boven constructen van maakbaarheid en normerende dogmatiek. Was het Arrested Development die zong 'Give a man a fish, and he'll eat for a day. Teach a man how to fish, and he'll eat forever'?

Het onderwerp 'vrije markttoegang en handelsbarrières' zal ik daarom bezien vanuit de vijf richtingwijzers van D66:

  1. Vertrouw op de eigen kracht van mensen. Zet een onderwerp als dit op de agenda en er ontstaat onmiddelijk de behoefte om vraagtekens te zetten. En wel over de vermeende autonomie van het individu. In welke mate beschikken wij over een bewustzijn? Er wordt door de auteurs van deze richtingwijzer een spanningsveld tussen de eigen kracht van mensen en de invloed van hun sociale omgeving waargenomen. Zo blijkt uit neurologisch onderzoek dat omgevingsfactoren een grote invloed hebben op de ontwikkeling van menselijke hersenen. Dit schijnt een ander licht op een traditioneel Nederlandse stelling als 'op eigen kracht boven komen'. Het is daarom de vraag welke maatschappij de eigen kracht van mensen belemmert of zelfs ondermijnt. En in het licht van de opdracht: om welke mensen gaat het hier eigenlijk? Waar zijn deze mensen geboren en waar leven, wonen en werken ze? Is het de term 'vertrouwen' die de geografische grenzen van deze richtingwijzer aangeeft? Als we vertrouwen zien als resultante van overzichtelijkheid en stabiliteit (Geert Mak, 2004) dan zijn de geografische grenzen voor wat betreft overzichtelijkheid beperkt door menselijke intellectuele verwerkingscapaciteit . En betekent dit dat geografische gebieden waar sprake is van veel dynamiek sowieso niet vertrouwd kunnen worden.
  2. Beloon prestatie en deel de welvaart. Ook deze richtingwijzer gaat over een raakvlak tussen individu en maatschappij. Principes van rechtvaardigheid en gelijkheid strijden om relevantie. Onderwijs en talentontwikkeling staan binnen D66 centraal. De essentie van deze discussie gaat volgens mij om de wijze waarop je talent erkent (rechtvaardigheid) zonder dat je verschillen benadrukt (gelijkheid). Gelijkheid is in 1948 vastgelegd in de 'Universele verklaring van de rechten van de mens'. Rechtvaardig is echter altijd en overal situationeel bepaald. D66 benadrukt dat rechtvaardigheid een praktische uitkomst is van een open debat tussen redelijke mensen. Daar waar het gaat om 'vrije markttoegang en handelsbarrières' is het de vraag of rechtvaardigheid internationaal situationeel kan worden bepaald in een open debat tussen redelijke mensen.
  3. Denk en handel internationaal. De kredietcrisis is internationaal. Wij kunnen los daarvan leren van andere landen. En veiligheid is een grensoverschrijdend onderwerp. Ideologie die internationaal denken en handelen beperkt is daarom niets minder dan ernstig beperkend. Deze richtingwijzer is voor wat betreft 'vrije markttoegang en handelsbarrières' helder: internationaal denken en handelen verlangt minder ideologie ('zoeken naar waarheid') en meer pragmatiek ('doen wat werkt'). Ontwikkeling, stabiliteit en veiligheid van individuen en collectieven zijn gebaat bij open markten en het wegnemen van barrières.
  4. Koester de grondrechten en gedeelde waarden. Een pleidooi voor tolerantie, juist bij botsende grondrechten veroorzaakt door verregaande globalisering en internationalisatie. Je eerst verplaatsen in de ander en dan pas oordelen en veroordelen. Daarbij past volgens D66 dat de eigen ontwikkeling van burgerschap als belangrijker dan het opleggen van gemeenschappelijke waarden wordt gevonden. Als het gaat om 'vrije markttoegang en handelsbarrières' is het perspectief van Nederland volgens deze richtingwijzer maar één van de perspectieven die we aan kunnen nemen: vrijheid geven is vrijheid nemen (vrij naar Despinoza).
  5. Streef naar een duurzame en harmonieuze samenleving. Duurzaam en harmonieus heeft betrekking op ecologie, economie en sociologie. Deze richtingwijzer suggereert dat een balans of synthese tussen deelbelangen en wereldbeelden mogelijk is. Dat lijkt mij bij 'vrije markttoegang en handelsbarrières' een politieke vraag. Wat is duurzaam wanneer het gaat over markten? Wat is harmonieus in termen van handel?

Conclusies

  • Vertrouwen op de eigen kracht van mensen is richtinggevend bij vrije markttoegang en handelsbarrières voor zover de geografische context waarbinnen de mensen op wiens kracht vertrouwd zal worden overzichtelijk is en er relatief weinig dynamiek binnen deze geografische context plaatsvindt.
  • Beloon prestaties en deel de welvaart is gezien de vraag of rechtvaardigheid internationaal situationeel kan worden bepaald in een open debat tussen redelijke mensen, waarschijnlijk niet richtinggevend. Tegelijkertijd is gelijkheid een zeer richtinggevend principe bij vrije markttoegang.
  • Denk en handel internationaal verlangt minder ideologie ('zoeken naar waarheid') en meer pragmatiek ('doen wat werkt').
  • Koester de grondrechten en gedeelde waarden suggereert dat een perspectief van Nederland maar één van de perspectieven is die we aan kunnen nemen. Wat betekent vrije markttoegang en handelsbarrières voor Nederland, en wat betekent het voor andere landen? Zonder antwoorden van andere landen in overweging te nemen, kan geen effectief beleid worden ontwikkeld.
  • Streef naar een duurzame en harmonieuze samenleving roept een politieke vraag op. Wat is duurzaam wanneer het gaat over markten? Wat is harmonieus in termen van handel?

Ontwikkeling, stabiliteit en veiligheid van individuen en collectieven in Nederland, Europa en overal in de wereld zijn gebaat bij open markten en het wegnemen van barrières. Zonder barrières krijgt vertrouwen de ruimte zich te ontwikkelen en neemt onderlinge afhankelijkheid toe. Toenemende afhankelijkheid zal een beroep doen op het gezamenlijk situationeel definiëren van rechtvaardigheid. Daarbij heeft pragmatiek een belangrijk voordeel ten opzichte van ideologie: zij weet veel beter om te gaan met situationele aspecten. Zonder barrières wordt het uitwisselen van perspectieven vereenvoudigt: concreet wordt duidelijk wat voordeel en nadelen van een maatregel voor de een en voor anderen zijn. Markten zijn constructen waarin economen vraag en aanbod aan elkaar gekoppeld zien in prijs. Markten zijn altijd dynamisch. Toegang en barrière kunnen volgens mij uitsluitend worden bezien vanuit deze dynamiek. Daarom sluit ik graag af met het volgende citaat van twee leden van de permanente programma commissie van D66: 'Het gaat erom dat de oplossingen die politici aandragen een antwoord geven op werkelijk bestaande problemen. De lakmoesproef bij alles wat we vinden moet zijn: werkt het? Juist deze pragmatische vertaling van onze sociaal-liberale idealen onderscheidt D66 van anderen.'

Bronnen
Mak. G. (2004). De mercator sapiens anno 2004 - Over eenzaamheid, moed en vertrouwen. Raiffeisenlezing 31 maart 2004.

Enkele notities over uitdagingen binnen internationale samenwerking

Opdracht: beschrijf in 200 tot 300 woorden wat volgens jou de belangrijkste uitdagingen op het gebied van internationale samenwerking zijn.

Enkele notities over uitdagingen binnen internationale samenwerking
De uitdaging die ik wil noemen is er één die bij het overdenken spontaan in mijn hoofd ontstaat. Kan dat eigenlijk wel: samenwerken op internationaal niveau. Kunnen overheden en staten op internationaal niveau samenwerken, en meer precies: effectief internationaal samenwerken?
Samenwerking veronderstelt namelijk overeenstemming tussen - en dus gelijkwaardigheid in de ontwikkeling van - de samenwerkende partners. Dit terwijl internationale samenwerking veelal een vorm van ontwikkelingssamenwerking is, waarin de partners in termen van ontwikkeling niet gelijkwaardig zijn. Waarom is niet gekozen voor een ander woord dan samenwerking (investering, aanmoediging, verlichting, ondersteuning etc.).

Deze stellingname suggereert dat ik bekend ben met universele eisen aan effectieve samenwerking. Ik weet niet of ik dat ben en of zulke eisen bestaan. Op basis van mijn bedrijfs- en organisatiekundige achtergrond kan ik wel tot een viertal eisen aan effectieve samenwerking komen. Dat zijn de volgende vier:

  1. Efficiency: de mate waarin binnen de samenwerking bij gegeven doelstellingen de te bereiken eindtoestand wordt bereikt met opoffering van zo weinig mogelijk middelen.
  2. Satisfactie: de mate waarin binnen de samenwerking de behoeften van de samenwerkende partners worden bevredigd door middel van intrinsieke en extrinsieke factoren.
  3. Behoeftevoorziening: de mate waarin binnen de samenwerking in de eisen en behoeften van belanghebbende partijen in de externe omgeving van de partners wordt voorzien.
  4. Zelfhandhaving: de mate waarin respectievelijk de snelheid waarmee binnen de samenwerking gereageerd kan worden op zich wijzigende externe omstandigheden met betrekking tot het beleid, de organisatievorm van de samenwerking en de operationele uitvoeringsdoelstellingen op korte termijn.

De criteria efficiency, satisfactie, behoeftevoorziening en zelfhandhaving bepalen in onderlinge samenhang de totale effectiviteit van een samenwerking. Nu vermoed ik dat internationale samenwerking vaak meer een maatschappelijk-idealistisch dan een economisch karakter heeft, wat het hanteren van deze criteria in enige mate bemoeilijkt.

Welvaart (economisch) laat zich makkelijker meten dan welzijn (maatschappelijk-idealistisch), en dus delft efficiency het onderspit ten opzichte van bijvoorbeeld doelmatigheid of intentie. Openheid over de mate waarin internationale samenwerking eigen behoeften van samenwerkende overheden of staten bevredigd is tot op zekere hoogte mogelijk, al lijkt dat niet in alle gevallen politiek opportuun. Voor wat betreft behoeftevoorziening is de korte termijn vaak evident, maar de lange termijn een politieke inschatting; internationale samenwerking heeft zelden een democratisch karakter. Zelfhandhaving tenslotte, lijkt een toepasbaar criteria voor het vaststellen van de robuustheid van internationale samenwerking. Tegelijkertijd is zelfhandhaving binnen internationale samenwerking vaak geen doel, omdat daarmee een schijn wordt gewekt van niet haalbare doelstellingen.

Mijn conclusie luidt hier als volgt. Het bepalen van de effectiviteit van internationale samenwerking is niet eenvoudig, en daar waar objectief waarnemen en valideren lastig wordt, neemt geloven het vaak over. Een gerechtvaardige vraag is daarmee de volgende: is internationale samenwerking een vorm van religie?

Een ontmoeting met Laurens Jan Brinkhorst

Een ontmoeting met Laurens Jan Brinkhorst op 25 oktober 2008

Als een tijger in een vissenkom
Laurens Jan Brinkhorst ervaart Nederland "door buitenlandse ogen gezien" als heel saai en zelfgenoegzaam. We geven elkaar weinig ruimte maar nemen elkaar wel voortdurend de maat. Aan het beeld van een naar binnen gekeerd Nederland refereert Brinkhorst met de onnavolgbare term "als een tijger in een vissenkom". Daarbij is het opvallend te constateren dat deze interngerichtheid vandaag de dag in de houding naar Europa onveranderd lijkt. Europa wordt veelal gezien als een bedreiging en niet als een kans. Nederland blijkt haar commerciële handelaarsmentaliteit ook in de internationale politiek nooit ondergeschikt te willen maken aan haar idealen. Zo bleef Nederland aan het begin van de vorige eeuw lange tijd neutraal en hield zij zich afzijdig van enige machtverwerving op internationaal niveau. Deze afzijdigheid van macht leidde in combinatie met het calvinisme volgens Brinkhorst tot een veronderstelde morele superioriteit.

Een Europese democratie gebaseerd op vertrouwen, maar hoe?
De toekomstige rol van Nederland in een groot Europa en in een geglobaliseerde wereld is echter ongedefinieerd. Het belang van een stevig Europees politiek fundament, met de daarmee gepaard gaande bureaucratische activiteiten, wordt niet gezien. De kennis van Europa is in de nationale politiek volgens Brinkhorst bedroevend. Hij is een groot voorstander van een democratie gebaseerd op vertrouwen, in plaats van een democratie gebaseerd op wantrouwen. Ook op Europees niveau. Maar hoe daar te komen? Het antwoord van Brinkhorst blijft in grote lijnen en gaat over moed, overtuiging en kennisverwerving.

De bonsai-boom die te weinig water krijgt om te leven en te veel om te sterven
De relatief grote macht van de Tweede Kamer ten opzichte van het Europees Parlement staat een doorbraak in de weg. "Je kunt pas dingen veranderen als je je bewust bent van de werkelijkheid" zegt Brinkhorst meerdere malen. We zijn een land zonder gezagsbesef, we zijn continu aan het onderhandelen. Wat wel bij zou kunnen dragen, is het verleden laten rusten en de scheiding tussen kerk en staat te blijven handhaven. Zonder doorbraak blijft Europa "een bonsai-boom die te weinig water krijgt om te leven en te veel om te sterven".

Kwaliteit moet mogen en intellectuele competitie is the name of the game
Brinkhorst is meer radicalist dan pragmatist. "Kwaliteit moet in Nederland onder de deken blijven" terwijl ook geldt "elite is goed". Zolang als deze elite zich kenmerkt door vrije toetreding, ook voor buitenstaanders. Nederland heeft behoefte aan innovatie, en innovatie krijg je als je intellectuele competitie bevordert. Politieke partijen moeten meer samenwerken met andere partijen, in de toekomst gaat het niet langer om emancipatie en naar binnen gekeerde en op uitvallers gerichte partijen hebben geen toekomst. Daar waar partijen haaks op elkaar staan op de vlakken economisch (sociaal-democratisch versus liberaal) en ethisch (vrijzinnig versus religieus dogmatisch) is behoefte aan een progressieve partij.

De achilleshiel van progressieve partijen
De stabiliteit van de machtsuitvoerende partij is een voorname onzekerheid, het "omgaan met de macht" gaat om bezinnings- en verantwoordingsethiek. Bezinning is de taak van de getuigenispartij, verantwoording de taak van de machtspartij. Dit blijkt vooral voor progressieve partijen een achilleshiel: progressieve partijen hebben vaak een grote aantrekkingskracht op machtsvreemde idealisten, terwijl macht nodig is om idealen te verwezenlijken. De uitweg is er een van onafhankelijkheid. Een progressieve partij heeft onafhankelijke vertegenwoordigers nodig, met een stevig fundament in een academisch gewortelde professie. Dit zorgt er namelijk voor dat partijvertegenwoordigers een alternatief hebben waarop zij kunnen terugvallen. Je zou er een kritiek op beroepspolitici in kunnen lezen.

Politieke versus academische redenaties
Op de vraag of Brinkhorst nu voornamelijk politicus of academicus is, antwoordt hij het volgende: "Als je mij vraagt wat ik uiteindelijk geworden ben, dan weet ik het niet." Hierin blijkt een twijfel, en twijfel is een belangrijke element in wetenschappelijke vooruitgang, terwijl de historische waardering voor twijfelende politici bijzonder laag kan worden ingeschat. Samenwerking tussen politiek en wetenschap, evenals tussen politiek en ondernemerschap is bijzonder wenselijk. Het lijkt in Nederland niet mogelijk door het bedrijfsleven gefinancierde denktanks te realiseren, maar we zijn dan ook "een land van sjacheraars en dominees". Brinkhorst ziet hierin een legitimering van een roep om meer diversiteit in Nederland. "Wij zijn een land dat nieuwe Nederlanders nodig heeft".

Een ontmoeting met Hans van Mierlo

Een ontmoeting met Hans van Mierlo op 18 oktober 2008

Onverdraagzaamheid blijft een actueel kenmerk van onze samenleving
De verzuiling in de jaren '60 van de vorige eeuw was een vorm van georganiseeerde onverdraagzaamheid waarbinnen een sterke sociale controle en een zekere elite kenbaar waren. Hans van Mierlo was op dat moment bezig met de eerste opiniepagina ooit, in het Algemeen Handelsblad. Onverdraagzaamheid is in de huidige maatschappij - ondanks de ontzuiling - niet verdwenen.

De noodzakelijkheid van zichtbaarheid van de macht
Een aantal maatschappelijke ontwikkelingen, zichtbaar in een grote diversiteit van stromingen en doorsnedes ("van kunst tot filosofie"), zorgden in de jaren '60 voor verandering. Zo veroorzaakte de komst van televisie 'massa-informatie'. En veroorzaakte hogere lonen 'massa-consumptie'. De democratisering van informatie en consumptie was daarmee een feit. Deze democratisering veroorzaakte een gezagscrisis: van onderop ontstond weerstand tegen het gezag. Een nieuw soort democratie was gevraagd. Het ging om een directere vorm van democratie, die "kiezer en gekozene" voor elkaar zichtbaar zou maken. Deze zichtbaarheid is ook vandaag de dag een belanghebbend onderwerp. De macht en de controle op de macht zijn geregeld via onze staatsinrichting. Deze stamt uit 1922. Het gegeven dat macht tendenseert naar eigen misbruik is weliswaar ouder (1750), maar de Trias Politica heeft in Europa nooit de kans gehad met een schoon schip te beginnen. Deze diende namelijk ingepast te worden in bestaande structuren, wat als belangrijk nadeel met zich meebrengt dat diegene die het goed doen in de bestaande structuren alleen akkoord zullen gaan met de aanpassingen als zij er wel bij varen.

Doelmatigheid als resultante van pragmatiek boven idealisme
Pragmatiek is in sommige gevallen te verkiezen boven idealisme, en daarvoor introduceert Van Mierlo de term doelmatigheid. Zo is een revolutie tegen het koningshuis principieel te verantwoorden (erfopvolging is niet democratisch) maar niet doelmatig. De macht van het koningshuis is namelijk in belangrijke mate zichtbaar, waardoor misbruik minder eenvoudig is. De zwakke macht bij het formele staatshoofd draagt bijvoorbeeld minimaal bij aan machtsvorming bij de totstandkoming van een kabinet.

Het vervreemdend effect van behoudende verwervers en verwervende behouders
Machtsvorming en machtsuitvoering lopen in de huidige situatie door elkaar heen. De regeringsfractie streeft naar machtsbehoud, terwijl oppositie streeft naar machtsverwerving. De controle op de macht door de oppositie wordt verhinderd door het streven naar machtverwerving van diezelfde oppositie. In het Nederlandse politieke landschap is de coalitie - en dus het compromis - namelijk een noodzakelijkheid. Hierdoor wordt het lastiger als kiezer inzicht te krijgen in het onderscheidend vermogen van de verschillende partijen. Het verklaart tevens het vervreemdend effect van campagne versus coalitie: van een focus op de verschillen (campagne) naar een focus op het compromis (coalitie).

Vrijheden binnen de erkenning van de verantwoordelijkheden naar de ander
Democratie gaat er volgens Van Mierlo van uit dat burgers op de hoogte zijn van dilemma's binnen de democratie, maar burgers zijn dat vaak niet. Dat maakt democratie "het beste van de slechtsten". Het gaat Van Mierlo bij machtsverwerving om het creëren zo groot mogelijke individuele vrijheden, binnen de erkenning van de verantwoordelijkheden naar de ander. In de huidige maatschappelijke stroming lijkt een tendens zichtbaar van individualisme naar collectivisme. Maar als het systeem vastloopt doordat mensen elkaar de bal toespelen, dan moet het systeem veranderd worden.

Sociaal-democratie en liberalisme putten uit dezelfde bron
De klassieke sociaal-democratie en het klassiek liberalisme vertellen beide een halve waarheid, en volgens Van Mierlo worden beide halve waarheden individueel opgehemeld tot de hele waarheid. Het is de rol van religie in machtsverwerving, die de vereniging van deze twee halve waarheden belemmert. Democratie wordt vaak gezien als een vanzelfsprekendheid, maar democratie is geen natuurlijk principe (zoals leiderschap wel kan worden gezien). Een Ministerie van Democratie zou daarom niet misstaan.

Memorabele momenten
Vol verontwaardiging stelde van Mierlo midden in zijn betoog dat "kiezers Europa niet SEXY vonden" en op een vraag van iemand met weerstand tegen één van zijn standpunten stelde hij de prachtige wedervraag "waar heb nu PRECIES moeite mee".

Houdbaarheid van solidariteit tussen generaties

Masterclass
Inhoud: houdbaarheid van solidariteit tussen generaties
Vorm: debat
Raadzaal, Stadhuis Utrecht
12 en 25 november 2007
19:30-22:30
Master: Bert Bakker (Van 1994 tot 2006 Tweede Kamerlid voor D66) en Fatima Madani (beleidsadviseur arbeidsrelaties bij de CNV vakcentrale).

Essentie van de inhoud
Het gaat om de relaties tussen de problemenmix (kosten, vergrijzing, ontgroening) en de mogelijke interventies (sociale voorzieningen zoals vervroegde uittreding en prepensioenen, positieve en negatieve prikkels). Interventies hebben consequenties in economische, juridische en sociale zin. De versoepeling van het ontslagrecht is een interventie, dat is mij wel duidelijk. Wat precies het probleem is, hoe groot het is, hoe lang het duurt en waar het pijn doet is dat niet. De resultante van confrontatie tussen problemenmix en interventies is te representeren als een financiële uitkomst, maar evenzeer als een kwalitatieve uitkomst. De term houdbaarheid geeft aan dat de relatie binnen marges en afhankelijk van politieke voorkeur te interpreteren is als wenselijk of niet wenselijk. De huidige voorkeur gaat er naar uit mensen langer aan het arbeidsproces te laten deelnemen. Dat lijkt mij, gezien de toegenomen levensverwachting, de enige passende uitkomst. Dat betekent dat ook de baby boom generatie langer aan het werk blijft. Omdat de economische en politieke macht nu bij deze generatie ligt zal dit bij het nakomen van de eigen belangen boven de belangen van de anderen geen doorgang vinden.

Essentie van de vorm
Debatteren is het beïnvloeden van emoties, met inhoud maar vooral met vorm.

Tegenstellingen
productiviteit versus flexibiliteit (medewerker)
star versus flexibel (markt voor arbeid)
oud versus jong
beroepsmatig inactief versus actief
vakbondsleden versus niet-vakbondsleden
baanvast versus baanrotatie
proactief versus passief (nalatig)
afspiegelingsbeginsel versus loyaliteitsbeginsel (LIFO)
insiders versus outsiders (jong, vrouw, allochtoon)
ongeschoolden versus geschoolden
regressieprikkel (negatieve prikkel) versus preventieprikkel (positieve prikkel)
vrijwillige versus gedwongen reorganisatie (bestaat dat in economische zin? vanuit welk - if any - perspectief is dat vast te stellen?)

Cijfers
2000: 3,7 mln > 55 jaar (23% bevolking)
2030: 6,0 mln > 55 jaar (35% bevolking)
= absolute groei van 60%

Als gevolg van deze demografische verschuiving* zullen het stelsel van collectieve oudedagsvoorzieningen en de gezondheiszorg aanmerkelijk duurder worden.

* Rond 2050 is de bevolkinspyramide weer een pyramide.

Vragen naar aanleiding van de syllabus

  1. Wat gaan we leren?
  2. Wat houdt de vergrijzing precies in?
  3. Wat is een bedrijfseconomisch ontslag? Is dat wellicht een juridische term?
  4. Wat zijn sociale partners?
  5. Wat houdt het ontslagrecht eigenlijk precies is?

ad 1. Het betreft een inhoudelijke masterclass. Leerdoelen: kennis opdoen en een basale mening vormen.

ad 2. Het rapport Vergrijzing in Nederland (Rijksvoorlichtingsdienst/Publiek en Communicatie, 2004) is in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport opgesteld. Het gaat in op de gevolgen van de vergrijzing voor de arbeidsmarkt. Is het eigenlijk niet veel logischer dat het ministerie van Economische Zaken een dergelijke opdracht geeft? Rijksvoorlichtingsdienst/Publiek en Communicatie heeft Veldkamp opdracht gegeven de beleving van de vergrijzingsproblematiek te onderzoeken. Voor zover 'de' beleving en 'de' problematiek bestaan zijn de antwoorden van bevolkingssegmenten (het rapport rept over de relatieve waardering van waarden van Milton Rokeach) te voorspellen: 'vooral progessieven zien in de vergrijzing een probleem, evenals ambitieuze materialisten en geëngageerden, terwijl traditionelen en hedonisten vergrijzing minder als probleem zien'. En wat te denken van de one-liner: 'de oudste groep verwacht weinig problemen, de jongste groep des te meer.' Als gevraagd wordt wat de mensen er zelf aan kunnen doen, wordt 'op de gezondheid letten en fit blijven' het meest genoemd. Ook opvallend tenslotte: 'bijna driekwart van de ondervraagden vindt dat er door bedrijven onvoldoende gebruik gemaakt wordt van de kennis en ervaring van ouderen'.

ad 3. Bedrijfseconomisch ontslag is er in vele vormen: een reorganisatie, een bedrijfssluiting, een bedrijfsverhuizing of bijvoorbeeld het verplaatsen van een deel van de bedrijfsactiviteiten naar het buitenland. Het kan ook zo zijn dat er nieuwe technologie op het werk komt, waardoor minder medewerkers nodig zijn. Het CWI hanteert bij ontslag om bedrijfseconomische redenen een checklist met aandacht voor een slechte financiële situatie, werkvermindering, organisatorische veranderingen/reorganisatie, technologische veranderingen, beëindiging van (een deel van) de bedrijfsactiviteiten en bedrijfsverhuizing in combinatie met gegevens over de ontslagvolgorde (afspiegelingsbeginsel) en herplaatsingsinspanningen.

ad 4. Een politieke benaming voor groepen werkgevers en werknemers is 'sociale partners'. Werkgevers worden hierbij vertegenwoordigd door werkgeversorganisaties zoals VNO-NCW en MKB Nederland. Werknemers worden vertegenwoordigd door vakbonden, waaronder de FNV en het CNV.

Bron: Wikipedia

ad 5. Over het ontslagrecht is veel te vinden bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. In het actieprogramma 'Iedereen doet mee' valt te lezen: 'Regels die werkenden beschermen tegen uitval of hen voorbereiden op uitstroom, zoals op het terrein van ontslag en/of flexibele arbeid, moeten de komst van nieuwe toetreders niet afschermen' en 'Aanpassing ontslagwetgeving: Het kabinet zal volgend op advies van de sociale partners een wetvoorstel indienen voor aanpassing van het ontslagstelsel'. In de begroting van SZW is nog niets opgenomen inzake een aanpassing van het ontslagstelsel.

Uitzoeken
  1. De populatie vakbondleden
  2. De populatie CAO's
  3. De financiële representatie van het probleem
  4. Overzicht sociale voorzieningen

ad 1. Het CBS heeft een analyse uitgevoerd van de organisatiegraad van werknemers in de periode 1995-2004, 2006. De keuze voor de door het CBS gehanteerde segmentering is lastig te begrijpen. Door de bank genomen is één op de vijf werknemers lid van een vakbond. Volgens zibb valt ruim 85 procent van de Nederlandse werknemers onder een CAO.

ad 2. Collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO's) zijn er vollop: de grootste zijn de CAO's van Defensie, Energie- en Nutsbedrijven, Geestelijke gezondheidszorg, Gehandicaptenzorg, Gemeenten, Jeugdzorg, Kinderopvang, Koninklijke KPN NV, Nederlandse Universiteiten, Provincies, Rijk, Sector Distributie, Sociale werkvoorziening, Thuiszorg, TNT, Universitair Medische Centra, Verpleeg- en verzorgingshuizen, Waterschappen, Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening en Ziekenhuizen.

Naar sector zijn de volgende aantallen op te tekenen:

  • Lagere overheden: 3
  • Nutsbedrijven: 7
  • Onderwijs en Onderzoek: 23
  • Openbare markt: 43
  • Rijk: 7
  • Telecom: 3
  • TNT: 5
  • Welzijn: 11
  • WSW: 3
  • Zorg: 10

De CAO's in de openbare markt betreffen de CAO's van: ABP, ADC, Arbo Unie, Arboduo Arboned, Ardyn Bibliotheken, Bouwfonds, Capability, Consumentenbond, CWI, Dierenartspraktijken, Groningen Airport Eelde, Havenbedrijf Rotterdam, Kalibra, Kantorenfonds, KEMA, Koninklijk Tropen Instituut (KIT), KIWA, Legermuseum, Loodswezen, Maastricht Aachen Airport (MAA), MHS, Nederlandse Podia, NIC Proclare, Novio, PGGM, Pro Rege, Recreatie, RET, Rolduc, Schiphol, Schiphol Dienstverlening B.V., Sociale verzekeringsbank, Staatsloterij, Stayokay, Stedelijk Museum Amsterdam, UWV, Verzelfstandigde rijksmusea, Vesteda, VVV, Waterwolf, en Westerscheldetunnel.

Bron: ABVAKBO FNV

ad 3. Vergrijzing en de overheidsfinanciën: totale uitgaven stijgen met 8½ %-punt naar 53½ % BBP, AOW: 4½ % BBP naar 9% BBP in 2040, zorg: 7% BBP naar 10½ % BBP in 2040 en WAO: 2 ¾ BBP naar 3½ % BBP in 2040. Daarnaast stijgen de totale inkomsten met 4½ %-punt naar 50 % BBP, directe belastingen op pensioenen: + 3%-punt BBP, indirecte belastingen op pensioenen: + 2%-punt BBP en overig (waaronder gasbaten): - ½ %-punt BBP. Conclusie: de inkomsten stijgen minder dan uitgaven.

Bron: Ministerie van Financiën

ad 4. Werknemersverzekeringen:

  • Werkloosheidswet (WW)
  • Ziektewet (ZW)
  • Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
  • Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)

Volksverzekeringen:

  • Algemene Ouderdomswet (AOW)
  • Algemene nabestaandenwet (Anw)
  • Algemene Kinderbijslagwet (AKW)
  • Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ)

Sociale voorzieningen:

  • Wet werk en bijstand (WWB)
  • Inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)
  • Inkomensvoorziening voor oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW)
  • Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK)
  • Toeslagenwet (TW)
  • Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
Afkortingen
VUT, AOW, CPB, NIZW, SZW, WW, CAO, IOW, IOAW, RIVM, OESO, MLT

Ambtelijk taalgebruik
  • 'Het duale stelsel', doelend op de opties bij het afwikkelen van een ontslag (via het CWI of via de kantonrechter)
  • 'Door al het overleg en gepolder is er uiteindelijk niet veel terechtgekomen van de plannen om de vergrijzing nu echt aan te pakken'. De vergrijzing aanpakken lijkt me onmogelijk. In ieder geval niet humaan.
  • 'Het beginpunt ligt dus ook bij vandaag'. Dat is altijd zo.
  • 'Kennis heeft opgedaan over het waarom van de vraag...', 'de oorsprong van de AOW leeftijd' en 'andere, algemene, punten binnen het vraagstuk'
  • '... een economie die achteruit gaat...' ik vermoed dat een dergelijke economie krimpt.
  • 'Bij de analyse van de voorgenomen maatregelen kunnen verschillende doelstellingen in de beschouwing worden betrokken, zoals: vergroting van de arbeidsmarktdynamiek, verhoging van de participatiegraad van oudere werknemers, beperking van afwenteling en nalatig gedrag (moral hazard) van werkgevers en werknemers met betrekking tot de WW. Het relatieve belang van de verschillende doelstellingen is mede bepalend voor het oordeel over de maatregel'
  • Opvallend is het gebruik van de term 'landbelang' in een discussie over het ontslagrecht.